Straks dan wordt het lente…

Regen

Het afgelopen jaar was een somber jaar. Niet alleen door het overlijden van Brian, maar ook door de hoeveelheid regen die naar beneden viel. Het leek zelfs zo veel regen, dat ik soms twijfelde of het misschien alleen in mijn hoofd zo donker was en ik door mijn verdriet de zon niet meer herkende. Als ik echter bedenk hoe vaak ik met de hond daadwerkelijk door regenbuien moest, hij bij thuiskomst zijn natte vacht op de eikenhouten vloer stond uit te druppelen en ik dacht: “Nou kappen met die kutregen…!”, dan weet ik dat het niet alleen aan mijn gemoedstoestand lag. Er wás wel zon in Nederland het afgelopen jaar, maar bijzonder weinig en vooral toen ik in Spanje was. En natuurlijk had ik ook zon in Spanje – het was er zelfs een paar dagen rond de 40 graden – maar ook tijdens mijn weken op de camino waren er meer bewolkte dan zonnige dagen. En toen ik in oktober in Nederland terugkwam, regende het alweer. Hoe vaak liet de schoonmaakster niet op maandagochtend een schoon huis achter en kwam het langharig tuig op vier poten ’s middags thuis van de hondenuitlaatservice met het halve modderige bos in zijn poten dat zich dan gedurende een paar uur langzaam uit zijn vacht losliet om een donkerbruin humuslaagje te vormen op mijn mooie vloer? Te vaak, kan ik je zeggen!

Een nieuw jaar

Toch heeft deze wat sombere kijk op het weer van het afgelopen jaar wellicht ook een beetje met mijn gemoedstoestand te maken. Daar zou het cliché bij kunnen passen dat het lijkt alsof de zon nooit meer gaat schijnen na een groot verdriet. Maar dat klinkt vreselijk zwaar. Dat gaat over het gevoel dat het leven nooit meer beter wordt. Dat herken ik totaal niet. Er is genoeg om vrolijk over te zijn. Er zijn leuke ontmoetingen, fijne gesprekken, lieve kinderen, goede vrienden, spannende afspraakjes en succesvolle werkresultaten. En toch… als de zon dan even tussen de wolken doorpiept, merk ik een soort van oprechte verbazing bij mezelf die anderen niet ervaren. Hij is er nog, de zon… hij bestaat nog, ik was het even vergeten. En straks, straks dan wordt het lente. Ook dat was ik even kwijt. De sneeuwklokjes zijn er al in het park en de hyacinthen op tafel verspreiden hun zoete geur. En straks bloeien de forsythia en magnolia weer in de wijk en schijnt het lentezonnetje door de tuindeuren mijn woonkamer in. Ik moet even schakelen als ik er aan denk. En dat heeft niet alleen maar te maken met het feit dat het zulk baggerweer was dit jaar. Het komt ook doordat, als het straks dan lente is, er gevoelsmatig een nieuw jaar begint voor mij. Want hoewel de lente mij altijd een soort perspectief op nieuwe ervaringen biedt en een bepaalde vrolijke spanning vol nieuwe kansen en mogelijkheden met zich meebrengt, botsen de verwachtingen die de zingende merels in de vroege ochtend nu al een beetje in zich hebben toch met het mottige laagje somberheid in mijn hoofd. 

Klem

Misschien heeft het ook te maken met het gevoel dat ik soms een beetje vastzit in mijn leven. Ik ben compleet ingeregeld. Met een eigen bedrijf dat niet helemaal eigen is. Met een hond die maakt dat ik niet even een avondje naar, pak ‘m beet, Drenthe kan of na het werk spontaan ergens voor een borrel kan blijven hangen. Met werk bij gemeentes die toch vaak in dezelfde cirkeltjes draaien. Met zorg voor oude en jonge mensen (die ik uiteraard enorm liefheb). Het is natuurlijk niet zomaar één van deze dingen die maakt dat ik me wat beperkt voel in mijn bewegingsvrijheid, maar de combinatie van het geheel. En het feit dat ik het in mijn eentje aan moet kunnen. En daarnaast iets van onrust in mezelf dat ervoor zorgt dat het een probleem is voor me dat mijn leven er zo uitziet op het moment. Onrust omdat ik de mogelijkheden die de lente met zich meebrengt wil omarmen. En omdat het nu voelt alsof ik die ruimte niet heb. En wanneer er dan een clubje gakkende ganzen door de lucht vliegt, onderweg naar verre oorden of als ik de internationale trein op de brug over de IJssel zie rijden op weg naar stations die weer mogelijkheden bieden om verder te reizen, dan voel ik een sterke weemoed van binnen. Ik wil ook.

En straks, straks dan wordt het lente…

Maar zo werkt het leven niet. En daarom ploeter ik nog even voort met die weemoed in mijn hoofd. En, ‘note to self’, soms hebben dingen tijd nodig en werkt het beter om het even de ruimte te geven. Maar poeh hé, ik vind dat moeilijk! Die onrust neemt namelijk veel ruimte in mijn hoofd en zeurt in mijn lijf. En ik ben met dat soort dingen vreselijk ongeduldig. Als ik iets voel wat schuurt of ingewikkeld is, wil ik het liever meteen oplossen dan wachten tot het misschien vanzelf overgaat. Ik leg het liever open op tafel dan het op zijn beloop te laten. Ik benoem liever waar het op staat, dan eromheen te draaien. Maar dan kan ik nog wel eens grote dingen zeggen of rigoureuze beslissingen nemen. En misschien is het nog even niet zo’n goed idee om drastische dingen te doen. Misschien. Dus, ik ga proberen wat tijd te rekken bij mezelf. Ik heb een coach in de arm genomen om me een beetje te helpen bij dat proces van uitzoeken hoe ik ruimte vind in mijn leven. En dan wellicht, vind ik een weg uit dit doolhof in mijn hoofd… Door de wind, door de regen, dwars door alles heen… En was ik maar een dichter, dan kon ik dichter bij jou zijn… Want straks, straks dan wordt het lente…

Op date met Tobias

Ik en honden

We hebben een hond. Hij heet Tobias. Het verbaast me met enige regelmaat dat ik echt een hond heb. Ik ben namelijk meer een kattenmens. In principe vind ik alle dieren leuk hoor, maar van katten krijg ik net zo’n blij gevoel als van hoge bergen, het eerste schepijsje op een zonnige lentedag of de felgeel-warm oranje-dieprode herfstbladeren in de herfst, wat me een geborgen-haardvuurknus gevoel geeft. Ik begrijp katten zonder dat ik erbij na hoef te denken. En honden, tja, eigenlijk snap ik niet zo veel van ze en vind ik het maar een beetje sullige beesten. Het ligt maar op je te wachten tot je wat gaat doen en het hoopt de hele tijd dat je ofwel de bal pakt om met hem te spelen of dat je hem mee naar buiten neemt, aan een lijntje. Nou ja, op dat lijntje hoopt ie natuurlijk niet, maar als ik dat niet doe dan loopt ie direct onder een auto, of een fiets, of hij springt op tegen de eerste de beste kleuter, die dan vervolgens een trauma voor het leven heeft omdat Tobias een overenthousiaste, enigszins lompe, langharige aandachtvragerige, toch wel wat intimiderende puberhond is. Ik doe hem vast tekort, maar dat is hoe ik hem zie.

De poephouding van Tobias

Kattenmens

Als kind had ik geen huisdieren. Ja, tot mijn 8e hadden we Hendrik, de kat. Maar Hendrik telt niet mee. Hij was net zo chagrijnig als mijn opa. Ze konden het ook goed met elkaar vinden mijn opa en Hendrik. Als opa en oma bij ons op bezoek kwamen mompelde opa iets humeurigs tegen ons zonder ons aan te kijken en liep vervolgens regelrecht naar de vensterbank om Hendrik een aai te geven die dat spinnend toeliet. Wij konden Hendrik eigenlijk nooit aaien, omdat het risico heel groot was dat hij je na drie of vier aaitjes een lel gaf met zijn scherpgenagelde pootje. Nadat Hendrik dood was, hebben we nooit meer huisdieren gehad. Hoe vaak ik ook ‘een kat’ boven aan mijn verlanglijstjes zette – blijkbaar had ik geen trauma opgelopen door Hendrik – ik kreeg nooit die doos met gaatjes waar dan een schattig klein katje uit zou komen mieuwen. Mijn moeder vond huisdieren zielig, onhygiënisch en ook een beetje eng.

Hendrik

De andere katten in mijn leven

Het eerste wat ik dus deed toen ik op kamers ging, was een kat aanschaffen. Koffie noemde ik hem, want mijn broer had zijn kat Fiets genoemd en ik dacht: we maken een traditie van gekke kattennamen. Toen ik van Leiden naar Deventer verhuisde voor een andere studie, moest ik helaas afscheid nemen van Koffie. Ik mocht van mijn huisbaas geen katten. Dus mijn studententijd in Deventer was een katloze periode. Kort nadat ik met Edwin ging samenwonen, deed hij één van de meest romantische dingen die hij ooit voor me gedaan heeft. Hij gaf me een doos met gaatjes voor mijn verjaardag. Er zat geen kat in, maar wel een briefje dat we er samen eentje gingen uitzoeken in het asiel. En toen hadden we Spoekie (de gekke kattennamen traditie kreeg ik er niet doorgedrukt). En later kwam daar Donder bij. Helaas moesten zij de deur uit toen bleek dat Sven een longinfectie had vanwege een allergie voor katten. Weer een katloze periode in mijn leven.

Voor de kinderen

Een paar jaar geleden echter begonnen de kinderen, zoals het hoort, te vragen om een huisdier. Er werden om de zoveel tijd beïnvloedingscampagnes uitgerold, vooral door Niels, die het meest strategisch is van de vier. Hij wilde heel graag een harig maatje, het liefst in de vorm van een hond. Het werd echter een goudvis, want dat was wat mij betreft toen het maximaal haalbare. Daarna kwam Dolly, de Russische dwerghamster. Maar Niels begreep niet wat er gezellig is aan Russische dwerghamsters en Dolly werd vooral Svens maatje die eindeloos het beest van zijn ene naar zijn andere hand kon laten lopen. Na twee jaar ging Dolly echter dood en begon Niels weer over een hond. En ergens tijdens een wandeling met Brian ontstond bij mij de gedachte dat het misschien toch wel een goed idee zou zijn om een hond te nemen. De kinderen zouden wel een maatje kunnen gebruiken rondom en na het overlijden van Brian en wellicht was het ook voor mij wel goed om de deur uit te moeten en hem uit te laten na Brians dood. Brian vond het een goed plan. Hij was voor. En dus gingen we op zoek naar een zo allergievrij mogelijke en niet al te standaard hond. Zo kwamen we bij de Poolse schaapsherder, ofwel Nizinny.

Tobias

We stonden eigenlijk nog maar net op de wachtlijst voor een puppy en waren nog lang niet aan de beurt toen de fokker me belde. Ik had haar verteld waarom we een hond wilden en ze had een voorstel waarmee we sneller aan de beurt waren. Het zou ons wel wat extra werk kosten, maar niet heel vaak. Alleen af en toe de hond naar een afspraakje brengen. We konden namelijk gastgezin worden voor een dekreu. Ze had in haar nieuwste nestje een hondje dat ze wel wilde houden, maar waar ze geen plek meer voor had thuis. De hond was dan gratis en hij zou wel zijn hele leven bij ons mogen blijven. Het leek precies goed uit te komen allemaal. Dus zo kwam Tobias in ons gezin.

Terror

Tobias was als pup een beetje terror. Hij hapte naar alles wat bewoog en zijn scherpe tandjes hebben menig pols, enkel en broekspijp vernaggeld. Het was voor mij noodzaak dat de kids hem regelmatig uitlieten, want er kwam al best veel op mij neer omdat Brian steeds vaker moe was van chemo’s en ziekte. Maar met z’n zessen een pup opvoeden, dat werkt niet. Daar kwamen we na verloop van tijd achter, want Tobias luistert niet fantastisch en sleurt in zijn enthousiasme tijdens het uitlaten iedereen de straat door. Ik heb me meer dan eens afgevraagd waar ik in vredesnaam aan begonnen ben met het hondenbeest, maar de kinderen zijn dol op hem.

Het afspraakje

Pubers als ze zijn, vinden de kinderen het feit dat hij een dekreu moet worden wel een beetje hilarisch. Gelukkig snapt Tobias er tot op heden niet zo veel van en laat hij de teefjes in het park redelijk met rust. Maar nu hij bijna twee wordt, is ie toch al twee keer op date geweest. De laatste keer heb ik hem naar zijn afspraakje gebracht. Naar een Duitse dekmeesteres. Ik weet niet wat voor plaatjes er dan in jouw hoofd oppoppen, maar om je even een beeld te schetsen: de dekmeesteres was een oudere vrouw met witgrijze slordige korte krullen, een donkergroene bodywarmer over haar paarse trui en van die leren tuinklompen aan haar voeten. Het geheel moest plaatsvinden in een wat viezige oude dierenwinkel genaamd Tier & Spaß, waar ze een apart stukje winkel met een houten tuinhekje hadden afgezet voor het dekgebeuren. De jaren tachtig grijze keukentegeltjes op de vloer waren licht smerig. Tobias en het vrouwtje begroetten elkaar in eerste instantie nieuwsgierig, maar toen Tobias wat te enthousiast dichtbij kwam, liet ze haar tanden zien. Een dekmeester begeleidt het dekken. Ze haalde een ranzig uitklapbaar krukje tevoorschijn waarmee ze dame in kwestie, bijgenaamd ‘de teef’, kon klemzetten. De dekmeesteres vertelde de eigenaresse het vrouwtje bij de oren vast te houden en ik mocht Tobias achterop zetten. Alleen ik had helemaal geen zin om Tobias ‘achterop’ te zetten. Vooral niet omdat het vrouwtje echt niet blij keek. Ik ga toch niet meewerken aan gedwongen hondenseks…? Ik was alleen maar de chauffeur… het is niet eens mijn hond… Ik ben alleen niet altijd zo assertief als ik misschien op papier klink. Tenzij ik echt boos ben, moet ik me voorbereiden op assertief doen. En ik was totaal onvoorbereid. Ik dacht: ik lever hem af, ga even boodschappen doen en kom hem weer ophalen en nu werd ik opeens onderdeel van een hele onplezierige en onvriendelijke seksuele ervaring voor die honden.

Ethisch dilemma

Ik denk niet dat Tobias er een trauma aan heeft overgehouden, maar ik weet niet of dat ook voor het vrouwtje opgaat. Nichts kein Spaß. In ieder geval hebben ik en Niels, die mee was, er wel een beetje last van. Het voelde als een ethisch dilemma. Wil ik hier wel aan meewerken? Wil ik dat Tobias hier wel aan meewerkt? Hoezo moeten honden gedwongen seks hebben met elkaar zodat wij raspuppies kunnen kopen. Tja, misschien had ik dat eerder moeten bedenken…? Nu heb ik dus een rashond die dekreu is. Z’n moeder, van wie ik nu wel begrijp waarom ze op de puppyreunie zo snauwerig deed tegen alle mannetjes, is dus ook zo behandeld. Ga ik hem dan nog naar dit soort afspraakjes brengen? Kan ik weigeren? Geef ik hem terug aan de fokker? Komen er dan minder afspraakjes? En hoe is dat voor de kinderen dan die zo dol op hem zijn?

Mijn conclusie is weinig rebels. We houden hem en ik breng hem volgens contract naar de afspraakjes, maar ik wil er verder geen onderdeel van zijn. Ik kan hem op het moment niet uitkopen, als het al een mogelijkheid zou zijn. En de kids zijn dol op hem dus ik ga hem niet teruggeven. Maar een ding weet ik zeker: nooit meer een (ras)hond.